Introductie
Er bestaan tegenwoordig verschillende adapters om een systeem-camera aan een microscoop te koppelen en die in plaats van een oculair in de tubus kunnen worden geschoven. Grofweg zijn ze onder te verdelen in 2 types: adapters zonder optiek en adapters met een inwendig optisch element. De optiekloze adapters zijn zo goed als onbruikbaar. Door het ontbreken van optiek kunnen er storende hotspots en reflecties ontstaan. Bovendien wordt er een zeer klein gedeelte van het gezichtsveld gefotografeerd.
De adapters met optiek hebben als nadeel dat ze resterende fouten die in het beeld van objectieven berekend voor een eindige mechanische tubuslengte (meestal 160 of 170 mm) niet corrigeren. Het resultaat is een sterke chromatische aberratie die zich uit in gekleurde randen om objecten die niet in het midden van het gezichtsveld liggen.
Adapters die in een tubus kunnen worden geschoven hebben echter een groot voordeel: het is de meest eenvoudige en flexibele methode om een camera aan een microscoop te koppelen. De adapter kan in elke tubus met 23.2 mm binnendiameter worden geschoven en er weer snel worden uit gehaald. Bij een monoculaire microscoop kan op die manier fotografie gemakkelijk worden afgewisseld met visuele waarneming. Ook zijn deze adapters gemakkelijk met een binoculaire microscoop te gebruiken. Heeft men bijvoorbeeld een binoculaire Zeiss Standard GFL, dan kan daar niet eenvoudigweg een klem-adapter (bedoeld voor 25 mm tubussen) bevestigd worden. Dat past niet vanwege de aanwezige instelringen waarmee de tubus-lengte wordt gecorrigeerd. DSLR adapters met inwendige optiek zijn echter niet goedkoop, dat is dan weer een nadeel.
Op een gegeven moment heb ik mij afgevraagd wat er zou gebeuren als ik een extra lens zou aanbrengen in het systeem. De resultaten waren verrassend.
De experimenten
Ik ben wat gaan experimenteren met een NDPL-1 adapter die een optisch element bezit dat 2x vergroot. Ik ben gaan kijken wat het effect zou zijn als ik een extra lens in deze adapter zou aanbrengen. Eerst heb ik gekeken of ooglenzen van oculairen bruikbaar zouden zijn. Dit bleek niet het geval. Daarna ben ik gaan experimenteren met verschillende veldlenzen (de onderste lens van een oculair) van oculairen. Ik ben er achter gekomen dat de veldlens van een Leitz Periplan NF10x oculair de restfouten van Carl Zeiss objectieven mooi blijkt te corrigeren. Deze lens past precies in de ruimte die aanwezig is in de adapter, er is geen speling, alsof het ervoor gemaakt is……
Ook voor Leitz 160 mm objectieven bleek een veldlens voor de benodigde correctie te zorgen. Hiervoor heb ik de veldlens van een Leitz Periplan GF10x/18 en Leitz Periplan 6.3x/18 gebruikt. De experimenten met deze lenzen heb ik gedaan met de Leitz Laborlux-12.
De foto's werden genomen met een Canon EOS 600D camera. In de toekomst zal ik ook andere camera' s gaan testen.
De onderdelen die nodig zijn om een Canon 600D te gebruiken in combinatie met een universele DSLR adapter. Van links naar rechts: T2-ring voor Canon, veldlens oculair, DSLR adapter NDPL-1.
De veldlens van een Leitz Periplan NF10x oculair (links) wordt in de adapter aangebracht. De ruimte daarvoor is perfect, het past precies.
Objectmicrometer gefotografeerd met Carl Zeiss Plan 25/0.45 en universele DSLR adapter. Boven: zonder veldlens. Onder: met de veldlens van een Leitz Periplan NF10x oculair. De bovenste foto laat duidelijk de chromatische aberratie naar de randen toe zien. Het gedeelte van het gezichtsveld dat wordt gefotografeerd is met de veldlens beduidend groter. Er treedt een geringe tonnenvormige vertekening op die in normale preparaten niet zichtbaar zal zijn.
Een preparaat met Arachnoidiscus gefotografeerd met Carl Zeiss Plan 25/0.45. Links: DSLR adapter zonder veldlens. Rechts: DSLR adapter met veldlens Periplan NF10x.